GESTRAFTE HEILIGSCHENNIS
hier brengen, dat wist ik van Ma. .. . Als ik maar goed eet, word ik sterk, dan kan ik ook gaan varen.... en het gebedenboek. . O ja, dan is
het schip heilig, daarom boenen ze het zeker zoo! Ik ga ma vragen of ze ons huis voor een schip gaat ruilen, dan ben ik ook altijd bij Ma en ga op het schip passen,.... dat kan ik niet laten vallen! Ik kwam al dichter in het hemelrijk, toen plotseling twee lieve bezorgde oogen me aankeken en het hoofd, zonder één woord te zeggen, me vriendelijk aan de hand nam om me naar school terug te brengen. Ze hadden me daar al heel gauw gemist en waren naar verschillende kanten op zoek gegaan. Gelukkig had het hoofd me hier spoedig teruggevonden. Hij deed me geen enkel verwijt, geen enkele vraag, maakte me onderweg nog vriendelijk op cenige dingen opmerkzaam als: „Wat beeldig zwemmen de zeemeeuwen hier hè ? en wat varen hier veel schepen langs, zie je wel?” Hij gaf me bij aankomst op school aan de deur van het lokaal aan de Juffrouw over. Nog even greep ik zijn hand en zei angstig smeekend: „ik krijg wel een maandkaart, hè Mijnheer!” „Een maandkaart moet hier verdiend worden, dat weet je toch wel,” gaf hij op vriendclijken doch beslisten toon ten antwoord en ging heen. Aan de deur onderhield hij zich nog even fluisterend met de Juffrouw, ’s Middags kwam hij, als toevallig, in onze klas zelf les geven. (Later vertelde Moeder mij, dat hij behalve de vaste uren, die hij in de hoogerc klassen les gaf, van tijd tot tijd elke klasse onder zijn leiding nam om al zijne leerlingen goed te lecrcn kennen). Er was dien middag geen zoeter, vriendelijker, gedweeër kind dan ik, ik voelde toch wel innerlijk, dat ik iets had misdreven, en toen het hoofd na het korte plechtige dankgebed „Amen” (het zij zoo) te hebben uitgesproken me aankeek, begon ik opeens droevig te huilen, waarop