DE INVLOED VAN HET KIND BIJ BEROEPSKEUZE _145
lafheid van karakter, die ik na mijn heimwee nooit meer had getoond. . Neen, neen.... neen ik
kon niet. Ik beet in het kussen om mijn angstig snikken te onderdrukken voor het zusje, dat naast me sliep en besloot den strijd aan te gaan tegen mijn smartelijke gevoelens. De muziek werd voor mij een ware bondgenoote, waaraan ik me met hartstocht overgaf. Weldra dan ook vroegen de kennissen onderling, „heb je het „Am Gcnfer Sce” van jongejuffrouw A. al gehoord,” en: „toe speelt u nog eens „uw Am Genfer Sec” vroeg men mij vleiend, soms drie, vier malen op denzclfden avond. „Het is van Handel,” antwoordde ik de eerste kee-ren naïef; maar al heel gauw voelde ik, dat het werkelijk van mij was, omdat ik er mijn geheele ziel, mijn lijden en strijden, mijn verbittering en wanhoop en in de laatste accoorden waarmede het bootje na den storm zoo kalm aan wal dobbert, mijn stille hoop op berusting onbewust vertolkte. En wanneer men na het slot bewonderend uitriep „en zoo heclemaal uit het hoofd” had ik moeite om niet uit te snikken: „neen heelemaal uit het hart, waardoor het geheugen niet falen kan, omdat de indrukken zoo machtig gevoeld worden!” — „Am Genfer See” is mijn geheele leven mijn succesnummer gebleven. Ik legde me tegelijkertijd met ongekenden ijver op het naaien toe. „Werken en niet vertwijfelen”, hoe dikwijls had mijn vader het al niet gezegd, als een sombere stemming zich van me meester maakte? O, ik meende stellig, dat mijn wil te concentreercn, me in mijn bang strijden zou helpen, maar het gecstelooze van het werk zelf maakte, dat ik mij aan mijn onbeteugelde phantasie overgaf en als gewoonlijk bij gemoedsverdrict, ging ik tobben en twijfelen. Waarom heb ik zooveel verdriet terwijl die meisjes vroolijk en onbezorgd leven? Is het gemeen om met een jongen te