146 DE INVLOED VAN HET KIND BIJ BEROEPSKEUZE
loopen, als je echt van hem houdt ?. . Zal ik
morgen ook het kraagje van mijne blouse inslaan, wat staat die bloote hals Betsy snoezig maar Ma!.... Waarom zijn zij nu slecht, ze werken toch zoo hard en zijn zoo hartelijk voor hun lieven? Waarom vind ik van een beest niet laag en van mcnschen wel, wat zij ook voor hen als gewoon en natuurlijk voorstellen? . . en toen in
Mei, mijn school- en studicvriendinnetjc me, overgelukkig, was komen vertellen, dat ze voor de kweekschool geslaagd was, bereikte mijn wanhoop het toppunt. Plotseling woedde het in mijn geest. „Allen genieten, alleen ik heb verdriet!” Waarom heb ik dan geen geld om te snoepen en om mooi gekleed te gaan, als ik toch overigens net als zij maar een gewoon. . het woord naaimeisje kon ik zelfs in mijn gedachten niet uitspreken zonder* mijn weemoed uit te snikken en toen ik vluchten wilde om mijn leed te verbergen, nam ik mijn vaart te groot en sloeg over twee trappen heen, die door een open luik naar beneden voerden. Gekneusd naar lichaam en ziel bracht men mij per rijtuig naar huis. De bedrust van eenige weken, de liefde en teedere zorgen mijner huisgenooten gaven me het evenwicht volkomen weer. De gedachte, dat ik had kunnen sterven, ik, die het leven zoo lief had, juist om du liefde zelve, gaf me, nu ik bij de mijnen had mogen blijven, kracht om kalm het leven verder te dragen, zooals het lot het voor me bepaald had.
Toen ik op mijn vijftiende jaar in een aardige baljurk op een soiree musicalc die mijn muziek-lecraar elk jaar gaf, — Am Genfer See — voordroeg, en men mij daarna over mijn spel en toilet complimenteerde, riep ik met trots uit:
„Ik heb de jurk zelve gemaakt.”