|AT ik werkelijk een moeilijke leerling Ivoor mijne klasseondcrwijzcres geweest *ben, staat nu bij mij vast, maar kon ik (toen niet inzien. Aan wie de schuld _ _(lag. ik durf gerust zeggen aan beiden. Wc misten onderling de noodige capaciteit tot het elkaar vriendschappelijk gezind zijn — het wederzijdsch kunnen eerbiedigen van den eigen aard der andere, — wij moesten botsen. Nu is het theoretisch wel waar, dat zij plichten had als opvoedster en ik rechten als kind, maar zij was pas eenentwintig jaar en ik al bijna veertien; bovendien vertoonde ik niet minder intellect dan zij en waren we beiden heel eerzuchtig, waardoor ze vooral niet verdroeg, dat ik haar door mijn weetgierigheid dikwijls met vragen in het nauw bracht. Nu ze, — als gevolg van haren nog jeugdigen leeftijd eenerzijds, — door haar weinig paedagogische en pacdologi-schc kennis anderzijds — over mij niet wist te hccr-schen, ging ze bazen en mijn geringste opstandigheid met onredelijk strenge straffen bedwingen, waardoor ik verbitterd op haar werd. Deze verhouding heeft mijn levensloop voor een groot deel bepaald. Ik maakte een einde aan ons samenzijn. Mijn oorspronkelijk zoo geliefd plan, naar de kweekschool voor onderwijzeressen te gaan, gaf ik op: liever wilde ik November te voren de school verlaten, om me aan de muziekstudie te wijden. Mijn bjjzondcren aanleg in aanmerking genomen, stond mijn vader de keuze toe onder beding, dat ik tot