140
ZATERDAG
,,Ik had toch zelf ook nog hersentjes.”
Op alles wat ze zei of deed, maakte ik een tegenwerping.
Mijn klein, lief, geduldig zusje, droeg haar leed gewoonlijk tot het einde. Bij mij liep het altijd op ruzie uit. Ik sloop nu naar het tuintje, waar Ma me niet hooren zou, ik ontvluchtte de hel. Ik voelde toch instinctmatig: ,,ik ben het kind, dat haar helpen wil, dat alles zoo goed mogelijk wil doen, dat zich tot het uiterste wil inspannen en zij eischte van mij de capaciteiten van het zeldzame, prima keukenmeisje.
Niets werkt meer ontmoedigend op het kind, dan de eischen, waaraan het niet in staat is te voldoen. En bij het werk, dat het kind spelende verricht, waartoe het dus niet verplicht is, diene men eiken eisch achterwege te laten.
Het kind, dat uit liefde, of spelende helpt, „geeft”. En.
„Een geschonken paard kijkt men niet in den bek.”