139
ZATERDAG
straf. Iets vrecsclijkers had ze niet kunnen bedenken dan me op te dragen: „Ga Betje maar cens helpen kopjes wasschen, de aardbeien plukken.”
Schoorvoetend ga ik naar de keuken.Ons keukenmeisje is in ons aller kindcroogen „de verpersoonlijkte verveling.”
Aal, het werkmeisje helpen, was een genot. Bij Aal deed je alles goed. De stoelen. . glommen als spiegels, het waschtafclblad was afgezeept. of het geschuurd was. Nauwkeurig volgde ik de bewegingen, waarmede ze een of ander meubel bewerkte en deed mijn best ze stipt na te doen.
Zóó leerde ik van haar ,,dc kunst”.
Of het succes van mijn werken zoo groot was, als ze deed voorkomen, zou ik niet met zekerheid durven beweren, maar dat op die wijze, het spelende kind door haar leerde haar beste krachten in te spannen, daarvan ben ik overtuigd.
Het keukenmeisje zeurde, ze miste allen tact.
,,Dc aardbei van binnen goed nazien, zonder ze stuk te maken, kijk zoo.”
„Maar uit die van U kruipt een worm.” Vol leedvermaak wees ik op haar werk.
„Het bordje zóó drogen, dat er geen vegen op te zien zijn, geheel egaal.”
Het was immers al een heksentoer voor me, wanneer ik met mijn zesjarige, kleine pootjes, veertien ontbijtbordjes ietwat klam, opgestapeld kreeg, zonder dat er één aan scherven op den grond lag.
Ik negeerde haar lesje schoon.
„Haal eens den koffiemolen uit het kastje. Doe de lade van den molen goed dicht, anders valt, wanneer je vlug loopt, de gemalen koffie op den vloer en we zitten er zonder.”
— De lust bekroop me daar een voorstelling van te geven, maar Ma. . .
„Ik loop langzaam,” koelde ik me.