135
INCOGNITO
Het haastige dribbelpasje naar den stoel, het coquettc wegwerpen van den denkbecldigcn sleep, de vermoeide, geëxalteerde, dichtvallende oogen, maar boven alles, de uitdrukking in de woorden: „O del! wat is die stoel hard!” ze amuseerden oud en jong.
Het waren slechts een paar woorden, maar de uitdrukking toch, het voornaamste doel in de kunst, kan slechts door het woord, het hoogste bereiken. Meer nog dan in muziek, beeldhouwkunst of welke kunst ook.
Héél enkele malen weigerde ik de voorstelling. Dat hing af van de mate van achting, die ik voor mijn publiek koesterde. Want ik schaamde me eigenlijk voor die grappenmakerij. Mijn huldiging toch had ik te danken aan „het klein kindje” zijn. En dat was wel de grootste schimp, tegenover mijn eigenwaarde.
Zes weken leefde ik in Saturnus’ gouden Eeuw.
Suikergoed, poppetjes, plakplaatjes, griffels, ze regenden op me neder.
Ook het feest, waarop ik me, met de andere scholieren, een jaar lang had verheugd, beloofde naar wcnsch te gaan.
„Wc krijgen ijs!” zoo ontving me haastig het dochtertje van het hoofd, mijn vriendinnetje. Die tractatie was nog twijfclachtig geweest. Althans voor ons kinderen en hoorde tot een van de grooté verrassingen.
Wat viel er nu nog voor me te verlangen?
Was het dan niet een echte, heuschc groote men-schenpartij? Als bij ons thuis. Mijn eerste in mijn lang leven. Was ik niet een baldame, met lage witte dansschoentjes. En een waaiertje? O, en met het flaconnetje vol eau de cologne in den zak. De, door mij lang gedroomde, benijde werkelijkheid van mijn oudere zusjes.