120
OP PARTIJ IN HET WEESHUIS
kant ramen in den gevel te laten aanbrengen. Vader echter, heel inschikkelijk van aard, had hun toegestaan, één venster in hunne woonkamer te maken, waaruit ze uitzicht hadden op „Ons bosch”. Dat was dan ook wel een bijzondere vergunning. Het leek Moeder heel onvrij, dat ze ook in onzen tuin en keuken konden zien, maar ze had er mede ingestemd, omdat Moeder toch niet had kunnen beletten, dat ze ramen hadden aangebracht aan de zijde van hun binnenplaats, waardoor ze uit hunne woonkamers, die iets hooger gelegen waren dan de onze, schuins bij ons binnen konden kijken en wanneer de vensters geopend waren, elk woord konden verstaan, dat er door ons gesproken werd. Nu wilde Vader dat, als wc in onze woonkamer samen waren, de ramen daar dicht bleven en er door de voorkamer en gang gespuid werd. Op een Vrijdagavond, toen het onhoudbaar tropisch heet was, sloeg Vader, nadat we getafeld hadden, onverwachts met een ruk de ramen open. Als betooverd bleven we onbeweeglijk op onze plaats, toen het weesmeisjes-koor juist het:
*) Haleluja — Haleluja — Halelu-u-ja!
(Looft den Heer) aanhief.
Het klonk als een Engelenkoor uit den Hemel.
(Het was eene eerste uitvoering).
Helaas, dat meestal na mijn hoogste vreugde diepe droefheid als onmiddellijke reactie volgde. Gelijk een angelsteek priemde het plotseling in mijn brein: „die kinderen hebben geen Maatje meer.” Mijn hart werd verscheurd van medelijden, het was eensklaps nacht voor me geworden.... Zij zouden straks niet roepen: ,.Nacht Maatje. . . . Nacht Maatje”, het heengaan steeds rekkende om zoo lang *) fHebreeuwsch loflied, dat alleen bij bijzonder feestelijke gebeurtenissen wordt gezongen).