OP PARTIJ IN HET WEESHUIS
”9
beminde als heftige „Mère des halles”, die zonder cenige cultuur, met dierlijk moederlijk instinct op heftige wijze voor haar halkinderen in het strijdperk trad. De verdere woorden en vooral het refrein: „Lief en aardig”
„Vlug en vaardig”
„Ja zoo was Madame Angot” (bis) belichtten Moeder Angot wel beter, maar het kindermeisje zong alleen de beginregels, die me diep kwetsten. Daarmede bezwoer ze dadelijk eiken aanval. Het was voor mij, als kind, een groot verdriet, door iemand, die ik achtte, vernederd te worden. Schaamte is een krachtige hefboom tot zedelijke verbetering, dat voelde dit meisje bij instinct.
Het tuintje, waar ik elk vrij oogenblik van profiteerde, was voor mijn physiek een dorado, maar het zou mijn moreel bederf hebben kunnen worden, wanneer Moeder, die ons nooit lang uit het oog verloor, niet had ingegrepen.
De huizen, grenzende aan ons tuintje, werden door patiënten van Vader bewoond en nu was ik nauwelijks in den tuin of ik hoorde uit de ramen naar alle kanten: „Jongejuffrouw, houd u eens uw boezelaartje op” en een ware zondvloed van lekkers en speeltjes kwam naar beneden, op de wijze zooals de orgelman in een achterbuurt zijn centen ontvangt, maar hij heeft er dan tenminste voor gedraaid. Onze rechtsche buurvrouw was in dit opzicht niet te verbeteren en uit haar raam had ik het uit de eerste hand. Zij meende op die manier haar dankbaarheid te toonen. Die buren nl. hadden in den tuin, die langer was dan de onze, een achtergebouw laten zetten, dat door eenc binnenplaats van het voorgebouw gescheiden was, langs welke plaats zijwaarts op verschillende verdiepingen gangen liepen om de beide gebouwen te verbinden. De Rapenburgerstraatbuurman had geweigerd aan zijn