OP PARTIJ IN HET WEESHUIS
118
welke op het breede trottoir langs de groote kerk tegenover ons veilig speelden.
Ik liep vaak eenige malen na elkaar van de voorkamer naar het tuintje, om telkens opnieuw de heerlijke sensatie te ondergaan van druk stadsgewoel tot gewijde natuur. Die kalmte deed mijn opstandige ziel zoo goed.
„Het bosch” was een levensgenieting voor me. Jammer, dat al gauw de uitbouw van het weeshuis, waarin de eet- en recreatiezalen werden gevestigd, eenige stoornis in de omgeving bracht, die echter veel vergoed werd door de prachtige stemmige liederen, waarop de meisjes, een zestig ongeveer, ons eiken Vrijdagavond na hun avondmaaltijd stelselmatig vergastten.
’s Zomers was mijn lievelingsplekje op het plat van ons tuinhuisje, dat met een gewone werktrap gemakkelijk te bereiken was. Reeds ’s morgens vroeg lag ik daar om naar het zingen der vogels te luisteren en ’s avonds zou ik er ook zoo gaarne genoten hebben, maar „het waarschuwende” pas op, soort zoekt soort, van de zusjes en de dienstmeisjes deed me er angstvallig van afzien. Kattig was ik toch hcclemaal niet. Nu ja, maar ook toen deden dienstmeisjes en kinderen heelemaal niet aan psychoanalyse. En toch! .... het kindermeisje, dat heel verstandig was en reeds van mijn geboorte voor me zorgde, (op verstandig waarnemen komt het niettemin in hoofdzaak bij beoordeeling aan) vonniste me juister, als ze, wanneer ik bij de minste onrechtvaardigheid, mij of een ander aangedaan, heftig werd, het liedje van Amarante aanhief uit de toen zeer populaire Operette „Madame Angot”:
„Als vischvrouw kon ze kijven”
„Dan was ze gansch niet mak”.
Dit waren de eerste regels van de coupletten, die collega Amarante op Madame Angot zong, de even