BOOR de volgende herinnering dien ik u even de omgeving duidelijk te maken, waarin ik mijne „Jeugdjaren” heb doorleefd. Ik woonde in de Muidcrstraat, aan de zijde tusschen de Heerengracht en Rapenburgerstraat. Behalve de hoekhuizen van straten en gracht — ze waren tegen elkaar gebouwd — hadden de huizen tuintjes, die voor het écne gedeelte aan de tuinen van de Rapenburgerstraat grensden, voor het andere gedeelte aan die der Heerengracht welke tuinen samen kwamen. De Rapenburgerstraat — toen reeds vervallen — was kort nadat de Joden zich hier gevestigd hadden hun élitebuurt geworden. In het voorgcdcclte waren langzamerhand hunne voornaamste instellingen verrezen, die er nog aanwezig zijn, o.a. een grootc kerk met daarnaast de woning van onzen Opperrabbijn, het seminarium, een bewaarschool, het Hoogduitschc meisjcs-wceshuis enz. De tuinen — evenredig groot aan de gebouwen — met hunne heel oude eiken, berken, vlieren vormden met die der Heerengracht over de lage schuttingen gezien voor ons „Het bosch”. Het was daar wonderlijk, weldadig kalm in tegenstelling met onze straat, waar o.m. het heel drukke verkeer was van de oude stad naar de buiten Muiderbuurt en van den omnibus op zijn zwaar ratelende wielen, het geschreeuw van de venters, die van hun standplaats uit het ghetto afdwaalden en het gejoel van de kinderen,