MIJN LOOFHUT
115
Ik geloof stellig, dat niet één onderdeel van mijn schatwoning en haren inhoud gaaf was. Dat moest toch juist. Het waren immers alle kostbaarheden, opgegraven na de verwoesting der beide tempels. Het werkelijke lekkers verlevendigde de fantasie belangrijk. We kregen ze rijkelijk de heerlijke zuidvruchten, de vijgen en dadels, de rozijnen en amandelen en vooral de verschc blauwe en witte druiven. Ik gedroeg me die acht dagen van het jaar voorbeeldig. Moeder vond me zoo kalm en gedwee, dat ze, heel vergeeflijk, den hartgrondigen wensch uitte: ,,Het loofhuttenfeest moest driehonderd vijf en zestig dagen van het jaar duren!”
Was dat fantazeeren dan niet leerrijk en karak-tervormend? Wc zien daaruit weer, dat gewijde bezigheid vóór alles een oefenen in plichtsbetrachting en zelfbehecrsching is. Ik leerde mijn zaken verzorgen en bewaren, het geluk waardecrcn van eigen voltooid werk. Reinheid en orde waren onberispelijk in mijn hut. Mijn gasten ontving ik welwillend en beleefd. Ik had een zekere waardigheid op te houden als heilige hutbewoonster. Ik oefende me in de uiterste verdraagzaamheid.
We mogen onze kinderen niet storen in hunne fantasieën. De fantasie is een natuurlijke, dus nood-zakclijkc ontwikkeling van de ziel en het karakter, voor het kind. Zij, die kinderen met verstand waarnemen zullen altijd ervaren, dat de natuur de fantasie doet ophouden, wanneer de verstandelijke vermogens gerijpt zijn tot het volgen en genieten der werkelijkheid. Dat is de juiste tijd.
Het vierde jaar begon ik me over de grapjes die men ten opzichte van mijn hut maakte cenigszins te schamen. En toen Moeder op mijn elfde jaar, eenige dagen vóór het feest, wat ongewild ironisch vroeg: „zal ik je tijdelijke woning maar vast van zolder halen?” zei ik uit mijn volle hart: „Geeft