MIJN LOOFHUT
114
besloot ik tot het land van belofte, als woonplaats.
Ik was volkomen in staat mijn fantasicschepping volgens een vast plan op te bouwen. Het hcele kleine kind springt bij zijn pbantasieën van het eenc beeld naar het andere plotseling over. Ik ging op in mijn verbeelding. Ze was werkelijkheid voor me geworden.
Eigenaardig toch op te merken, dat al mijn gefingeerde kunstschatten, mijn kostbaarheden, mijn zinnelijke genietingen, me volkomen bevredigden, maar Ma moest dikwijls persoonlijk in de hut komen.
Heelemaal in Jeruzalem. . . zonder Ma!
Het feit, dat Moeder moest komen, was toch het bewijs, dat ik me echt voorstcldc in Jeruzalem te zijn. Hier overtrof mijn hartstochtelijke liefde den fantasiedrang. Ik moest in Ma’s vriendelijke oogen werkelijk kunnen schouwen, haar teedere stem hooren, haar geheel liefdevol wezen kunnen omvatten. Ma alleen moest reëel zijn.
Voor groote mcnschcn was het om te stikken in mijn lage hut. Toch kreeg ik veel bezoek. Ook voor oudere gcloovigcn was ik zoo aardig geïnstalleerd. Mijn zeepen citroentje, den cederappel voorstellendc, werd al die jaren vol zorg in een doosje met watten geconserveerd. Het morsdoode sparreboompje — versiering op mijn broertjes aannemingsfeest — werd als mirtetak dagelijks royaal begoten. En elk jaar sloeg ik er symbolisch den achtsten dag mijn zonden — en het waren er vele — mee af. Verschillende kleurige bloemslingers door mijn oudere zusjes bewerkt versierden de geheele hut. Zij gunden mij dat pretje van harte. Jongens zijn op dien leeftijd zoo geheel anders. Overal had ik bibclots geplaatst. Gebarsten Chineesche poppetjes, afge-kcurd voor de étagère in het salon. Min of meer beschadigde echte Japansche theekopjes en vaasjes.