”3
MIJN LOOFHUT
Dc ruggen der stoelen werden royaal behangen met doorgcloopcn gcwasschcn, sitsche bedgordijnen. Deze vertegenwoordigden, neen . ze vormden de oostersche wandbekleeding. Zoo poëtisch! Van buiten leek dc hut een formecle uitdragerij. Wat echter deerde mij het uiterlijk, wanneer ik me binnen in den hemel waande? Het rieten dak maakte ik van versleten gangmatten.
Mijn éénigc kwellingen waren dc aanmatigende plagerijen van mijn vijftienjarigen broer. Hij nam bijv. eigenmachtig op een mijner zetels plaats en veegde doodkalm zijn voeten tegen mijn hutzolde-ring af.
Met stoïcynsche zelfverloochening verdroeg ik al dat vreeselijkc, steeds Moeders wachtwoord overwegende: „Gekibbel wil ik er niet in hebben.”
Het eerste jaar nog in het stadium van ontwikkeling, bereikte de hut, als alle grootschc dingen, eerst langzamerhand haar voltooiing.
Gauw toch hingen er Chineeschc lampions met heusche kaarsjes aan de matten. Ze mochten echter alleen branden — o vernederende bepaling voor een zevenjarige eigenhutbewoonster — wanneer het kindermeisje in dc kamer was. Ik troostte me. De bewaking had buiten mijn eigenlijk terrein plaats. Bovendien hield ik veel van onze Aaltje. Liefde doet zielepijn zooveel gemakkelijker dragen.
Ik woonde in het Heilige Land. Dat was niet tradionecl, het moest juist een behelpen in de woestijn voorstellen. Maar instinctmatig hield ik niet van behelpen. Dat werd me terecht reeds jong anders geleerd. En dan . zulk een kunstproduct in een barre zandvlakte! Het Heilige Land was zoo mooi. Uren had Moeder er over uitgeweid en ons alles aangewezen op de kaart, die In de kinderkamer aan den muur hing.
Ik had het toch maar voor het kiezen. Vanzelf
Jeugdherinneringen 8