109
MARIETJE
dwencn. Marietje voelde zich zoo gerust, zoo beschermd door mijn liefdevolle aanwezigheid. „Alleen volkomen stipte lichamelijke en geestelijke rust zou de borst van het kindje sterker doen worden.” Vader's woorden waren in mijn geest gegrift.
Onverwacht gaf Marietje bloed op, Vader stond daarna niet meer toe, dat ik haar bezocht. Ik vloog nu ’smiddags naar de deur, om toch weêr hoop in Vader’s oogen te lezen. Veertien dagen later, moest ik helaas van Moeder de droevige woorden hooren:
„Wees nu maar gerust, God heeft Marietje gelukkig tot zich genomen.”
Het bericht was niet verpletterend. Men had me er dagen op voorbereid. Maar het hopelooze verlies voelde ik als een wreede drukkende kwelling. Stil ging ik in een hoek van de kamer zitten en was niet te bewegen om mede te eten. Die stemming werd niet bijzonder gevonden. Alle huisgenooten waren diep onder den indruk van het stervensbe-richt. Vooral Moeder, die vroeger zelf een lief kind had verloren. De dood van Marietje maakte de herinnering er aan weêr zoo levendig, dat zij haar smart opnieuw beleefde.
Het kind, dat den afgeloopen nacht overleden was, werd — volgens Joodschc voorschriften — reeds den dag na het stcrvcnsbericht, begraven. De school was dien dag gesloten, de schooljongens hebben de begrafenis tot Zeeburg gevolgd.
Den avond te voren kwam Moeder met rood geweende oogen de kinderkamer binnen. Ze bracht een rol lint mede om de maat van mij te nemen. Ze zei tot mij, — het volgende is een Joodsch bijgeloof — „dat ze mijn lengtemaat in het kistje wilde medegeven.” Ze vreesde anders, dat Marietje,