Uw oogen zijn zoo hel gemaakt zoo hel en zoo klaar wetend: de Hoop en Droom zijn er genaakt toen is er lichtzon in geraakt, de donkere nederigheid vermetend.
Daar is geen slaafschheid en geen smet van knechtschap aan u over, uw hart sterk rustig kent zijn wet,
’t verflauwt, noch zal het zijn ontzet, voor ’s Heerschers gouden tover.
Heil u, en heel uw wezen, ree! en al uw jonge krachten:
’n lied van sterren en de zee ’n lied van lente en bloemgeur mee, Heil zij uw sterke machte.
Moge gij kerels zuiver gaan met onbesmette wezen: gij stoetend als de oceaan moge al zijn glans en blankheid aan uw oogen zijn te lezen.
83