Treedt gij nu vooraan weest ’n lamp in den strijd ’n woord, ’n slag zal den weerstand breken, maar ’n harde stonde, ’n harderen tijd
van bouwen en houwen, van gejuich en verbleken.
Als gij wilt, wilt gij sterk! als gij wilt wilt gij goed!
gij kent toch het stage, het gestadige houwen, uw huis zij ’n tempel voor ons van uw moed, dan zullen wij schoon onze stad volbouwen.
Die is grootsch, die is wijdsch, die heeft vele straten maar de kuilen ten val liggen, diep-in gereed, wij bouwen en vallen mijn makkers, mijn maten,
als ’n volk dat toch eindlijk waar ’t wonen zal weet.
Weest gij nu de lamp die de wereld verlicht
niet donker, niet donker, zij uw hart, noch uw hoofd als gij ons dat hart, hard van trouwe, verpand, dan treden wij samen ten dag ons beloofd:
De bergen die leven, de zeëen die weven — de kolen het gruis zijn van u gegaan —
Licht! vuur! wordt ontstoken
Gij, blank, zult dat dragen
het vlamt op u toe, het lichtlaait u aan.
81