de haatvlam laait niet uit hun matte oogen.
In hun kleine huizen
brandt nog geen licht
dat niet van ’n lamp is
en niet van kolen,
droomen hebben ze niet en vreugd
noch gedicht,
alleen hun dag voer, en snachts hun holen.
Brandt nu m’n vuren Koningen van gloed en kleur en macht en kracht: nog geeft g’uw gloed om andrer goud te maken, kus wakker ontgloei ’t arm klein knechtgelaat opdat hun zielen bloeiend vloeiend raken.
Wek ze toch! Wek ze toch! harten wordt vuur!
78