te bewaken uw huis en uw lijf en uw goed; gij die van elke bete onzer uw dubble rente
neemt
en van elk zilverstuk onzer uw penning.
Gij die niet zat wordt het goud te vergaren door onz’ duizend voor u uur aan uur, met spanning van vezel en zenuw gewrocht, ziet ons zwart als de kolen voor 't werpen
in oven
ziet ons zwart als de aarde onder onze
handen, krom: onze woorden als vlammen de begeerten als zwaarden gaan uit onz’ begeeren-rood gloeiende mond.
Wij scheuren uw ketens, wij breken uw boeien hier staan wij! hier staan wij! waakt op, geeft
ons recht.
Onze kracht is nog uw, en ons lijf is nog uw,