O gij hoog gezeten op uw tronen van macht o gij, die u stut op uw stutseis van goud vanwaar is uw heerlijkheid en ons gemis? vanwaar uw verheffing en onzen deemoed?
Zie, lijk op kaden de touwen van schepen zoo liggen de aren gezwollen op onz’ hand, zie, lijk aan stranden de klippen opsteken zoo puilen de jukken de wangen vooruit, zóóveel wrochten wij, zóóveel kracht gaven wij!
Niet is ’t u genoeg, verwaatnen! Gij
die als vader zijn kind onderdanig
ons klein houdt en stom als onnooz’len,
een stem hebben wij en wij mogen niet spreken,
een hoofd hebben wij, mogen niet eigen leven
beraden.
Gij die ons en onze zonen wegvoerdet en voert en hen drilt in uw dreigend ontzag, en hen leert hoe uw weelde het best te bewaren,