Een bonte vlucht

Titel
Een bonte vlucht

Jaar
1911

Overig
Verzen

Pagina's
88



O gij hoog gezeten op uw tronen van macht o gij, die u stut op uw stutseis van goud vanwaar is uw heerlijkheid en ons gemis? vanwaar uw verheffing en onzen deemoed?

Zie, lijk op kaden de touwen van schepen zoo liggen de aren gezwollen op onz’ hand, zie, lijk aan stranden de klippen opsteken zoo puilen de jukken de wangen vooruit, zóóveel wrochten wij, zóóveel kracht gaven wij!

Niet is ’t u genoeg, verwaatnen! Gij

die als vader zijn kind onderdanig

ons klein houdt en stom als onnooz’len,

een stem hebben wij en wij mogen niet spreken,

een hoofd hebben wij, mogen niet eigen leven

beraden.

Gij die ons en onze zonen wegvoerdet en voert en hen drilt in uw dreigend ontzag, en hen leert hoe uw weelde het best te bewaren,

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt met OCR (Optical Character Recognition).
Deze techniek levert geen 100% correct resultaat op. Dat betekent dat er onjuiste tekens in de tekst kunnen voorkomen.


Weergave
Afbeelding / Tekst (OCR)

Alle boeken in deze digitale bibliotheek kunt u gratis lezen of downloaden. Met een vrijwillige donatie helpt u ons met het in stand houden en verder uitbreiden van de bibliotheek. Klik hier als u een bijdrage wilt overmaken.