maar ons hoofd willen wij, ’t is door u niet
gekocht,
en 't is niet meer te koop voor uw glanz’ge
dukaten.
Als een toren er staat in een stad, hoog en zwaar, als haar klokkenslag klinkt in den nacht wijd
en luid
komt een roep, onzen roep in uw ooren:
Wij zijn er de wrochters van al dat bestaat wij zijn het die de aarde rijk maken en bloeiend wij zijn het die de hartslag en ’t leven opkloppen wij blazen het leven rijk óp, dat het bloeie, haar adem, haar dauwrijke adem zijn wij!
Te lang! al te lang hebben wij u gebedeld te lang, al te lang u gevraagd en gesmeekt weg! weg! met uw heerschen en onnoozele
knechting,
een bent vrije mannen een leger van kerels een drom zwarte geuzen, fiere geuzen zijn wij!