zij stonden, lazen, zetten zich met vieren de zeisen rug aan rug, om de gouden
schovenhoop.
Zij lazen en zij gloeiden diep van binnen en in hun harten zong het hen zoo blij:
„het volk werd sterker steeds, het volk dat
won, werd vrij!”
Zij lazen ademloos als een brief van heerlijk
minnen.
Plots klonk geknetter, 'n helle knal weerklonk, een gouden vlam vloog dol voorbij hun oogen, een rist van gouden vlammen schreven bogen en een van hen, het hoofd voorover, zonk.
Het bloed ontberstte wellend zijne slapen: zij sprongen op als opgeschrikte wolven zich wanend rustig voor gevaar bedolven in ’t donkre hol, en plots voor ’t oog ontwaren een gloeiend vlijmend wapen.