De avond om de mannen brandde rood en korengoud dat gloeide om hun leden, de maaiers moegewerkt met langzaam treden liepen hun schaduw na, die zwart en groot voor hen hun banen liep. — In ’t land was
oproer,
moord en brand ging rond, de werkers vochten om een beter leven, de werkers vochten om
een vrijer wrochten
naar hart en levenswil, en stonden vast en
stoer. —
Toen kroop een maat vanuit een schovenhoop en gaf bericht hen, strijd-oproeppapieren