haar niet meer bevatten kon. Toen verbrak zij wat haar te klein werd, en vereenigde zich met wat daarbuiten leefde en groeide en worstelde...
Zoo heeft de oude school het dan moeten begeven; op de plaats waar eenmaal de strenge poort haar ge-heimzinnige terrein van de wereld afsloot, kan een ieder vrij verkeeren en zie: de verwording is in vollen gang.״! De muren brokkelen af, de ruimte zet zich uit, het licht valt door de opening van het weggebroken dak... het
oude huis is opgeschreven ; overal wordt gearbeid
en gewroet en afgebroken en de sloopers van Slier sleepen het gruizelend puin met karrenvrachten weg...
Maar nu wordt het uitzicht ook vrij, en ginds in de verte, waar dat arbeidsrumoer klinkt, steken daar niet de stompen en staken van nieuwe, sterke steenen ge-wrochten, versch in de specie, den grond uit? Groeit het daar niet in de hoogte, van een heerlijken, nieu-wen, jongen groei?
Het krioelt er van werkers ...
Dat is de nieuwe school die zich opbouwt!
En de klas is overal, overal staat zij op en zoekt zij den meester. Zij is in de jeugdclubs, in de spelen en in den ernst, zij is in de vrije natuur en in de gehoor-zalen, in de kerken en de volksuniversiteiten, bij groo-ten en kleinen ...
Doch zij is niet meer tevreden met de valsche schat-ten, met dat schamele beetje kennis, dat noodig is om den mond open, en den geest bezig te houden, — neen, in haar diepste wezen verlangt zij meer, zij verlangt het eigenlijke, het ware, het eenige dat bevredigen kan. Thans wil zij brood voor steenen..,
,., Maar wat is die klas dan groot.,, !
Zeide ik dat zij zoo groot was als onze maatschappij? Zij is nog veel grooter. Zij is zoo groot als de mensch-heid, zoo groot als de wereld ,,.
195