nog iets anders, iets geheimzinnigs en dat staat ook in de boeken waar je mee dweept, en dat zou best eens kunnen gebeuren...
Over tien jaar, waar zouden we dan allemaal zitten? Dat is een groote vraag. — Niemand weet het, maar ieder ziet zichzelf wel als middenpunt van een aardig tafereeltje...
Maar de mooiste toekomst wordt uit de gedachten verjaagd door een heerlijk heden: daar komt een groote schotel taartjes binnen, en het ״zalig!", ״verrukkelijk!", ״eenig!" is niet van de lucht... Wat 'n plezier, om zoo allemaal nogeens bij elkaar te zijn! De piano tinkt en kwinkelt en stept en marscht hoog op ... Maar er komt ook een ernstig stukje: dat iedereen maar eens goed hoort, wat de pianiste kan! — De heele klas is trosch op haar, alsof haar prestatie er eene van de klas is ,..
En na tien jaar (wat spring je die in gedachten ge-makkelijk over, en wat kunnen zij in werkelijkheid moeilijk en lang zijn!) na tien jaar was het voor allen niet even prettig gegaan, — maar de mooie herinnering bleef.
★ ★ ★
DE JONGENSKLAS. Een kamer, en een bed, en een lamp met een krant er voor. — De meester is ziek.... Hij heeft de avondschool moeten afzeggen; zijn groote jongens, — o, wat een ruw en ongezeggelijk stelletje was het, toen hij ze kreeg en wat zit er toch veel aardigs bij! — zijn groote jongens zullen van-avond bij een ander moeten zitten.
Maar daar wordt gebeld, — zachtjes... Er is een jongen aan de deur, een reus van een vent.
״Waarom of de meester niet naar school komt?"
179