192 IN DE GOUDEN KLOK.
had er een zwaar hart in, hoewel ze zichzelf moed tracht-te in te praten. Marix zag alleen maar 'n beetje wit.
Nadat de eerste plichtplegingen bij Oom Gijs waren ver-vuld, de eerste praatjes gewisseld, en Oom weer eens voor de zooveelste maal geconstateerd had, dat Marix lang werd, vermande Vader zich eindelijk, en begon het doel van hun bezoek uiteen te zetten. Er lag een wolk over zijn gezicht, hij was geheel terneergedrukt, en geloofde zelf niet dat hij slagen zou. — Maar als je zóó begint, dan heb je den veldslag al half verloren.
Oom Gijs luisterde, en zijn gezicht werd hoe langer hoe gemelijker en ontevredener. Wat was dat nou weer? Wel-ja, nu was het nog niet genoeg dat de jongen studeerde, nu moest het meisje ook studeeren. En waarom? Kon ze geen naaister worden? Alles was immers al lang en breed vastgesteld.
Oom Gijs had nooit veel belang gesteld in de twee meis-jes. Hij had niets tegen ze, maar hij vond meisjes nu een-maal niet van groot belang. Marix, dat was wat anders, dat was een jongen, dat was de jongen-die-zoo-goed-leeren-kon, waar hij al zijn hoop op gesteld had. Hij had zelf geen kinderen. Hij was niet getrouwd. Maar Marix zou zijn naam, den familienaam groot maken, die zou een be-roemd, geacht man worden, voor Marix had hij alles over en het was hem een genot, den jongen te zien, hem te hooren praten en zijn mooie rapporten te bekijken... En nu kwam daar zoon kind ...
״Onderwijzeres? Waarvoor? Waarvoor moet een meis-j e studeeren... ?” Oom Gijs was zelf vrijgezel, — 'n ״oud vrijer”, zooals Moeder ’n beetje verachtelijk zei, — maar hij vond toch dat alle meisjes hoorden te trouwen.
״Ik zie het niet in, hoor, ik zie niet in dat het noodig is. Dat zijn maar allemaal hoogmoedige gedachten van het kind...”