ZAND TUSSCHEN DE RADEREN. 159
meer bedierf, De sommen staarden haar aan, er kwam nooit de zoozeer verlangde nul aan den staart, het taal-werk zag blauw van de fouten, en ze kón het haast niet laten, om met de meisjes in de buurt te praten, als ze opletten moest,
In 't eerst had meneer nog wel geduld. Hij was goedig, ״Kom, Nannie,” zei hij, ״zit er nog wat zand tusschen de raderen, wil de machine nog niet goed loopen?" Want hij begreep wel, dat ze nog wat wennen moest, en weer 'n beetje op gang komen.
Maar eindelijk begon het hem te verdrieten, en het leek Nannie of hij hoe langer hoe strenger werd. ״Kun je niet wat meer je best doen?" zei hij ongeduldig. Ze zag hem aan met een gezicht als een oorwurm. — Ik kan toch geen goed meer bij hem doen, dacht ze.
En thuis! Thuis wou het heelemaal niet meer wennen. Het was alles zoo grauw. Ze wou niet meer graag bood-schappen doen bij de petroleumvrouw, het stonk er te veel naar petroleum, en de straat was modderig, en thuis was de grond kaal, zóó maar de planken, alleen op Zon-dag lag er een karpetje, en het behang zag zoo vaal en was bijgeplakt, het servies was oud en de vorken waren van ijzer en... en nooit was er genoeg geld, je had voor niets geld omdat Vader altijd zei dat de huur eerst betaald moest worden en de schoenen gemaakt. Wie had bij tante Gerritje ooit over huur of schoenen gedacht?
Nannie was geen prettig gezelschap in dien tijd. Maar al te vaak zagen zij het ״gezicht als een oorwurm" van haar, en er was heel wat geduld noodig om vrede met haar te houden.
Op een avond werd het heel erg. Het trof dan ook wel ongelukkig, het was of Nannie haar thuis op zijn onplezierigst moest zien. Net was het aan tafel 'n beetje gezellig ge-worden, toen na den eten een buis van de waterleiding