156 IN DE GOUDEN KLOK.
pakt te worden,.. Tante nam Nannie's handjes en bekeek ze, en ja, nu zag Nannie het ook: haar vingers waren bruin en dik geworden! Ongemerkt was het gebeurd, ter-wijl zij ze heelemaal vergeten had!
״Dat hebben de zee en de zon gedaan!” zei Everdien. Maar Nannie wist wel dat het daar alleen niet van kwam.
״En ook de melk,” zei ze. ״En ook de boter, en de kaas, en het krentenbrood, en het roggebrood, en het vleesch, en ... en alles ...!"
Toen ging ze weer aan het pakken. Maar na een poosje stond ze op en ging naar tante toe.
״En ook de appeltaart,” zei ze.
״Zeker,” zei tante, ״ook de appeltaart.” En Nannie wist niet, dat tante, toen ze was komen kijken of het koffertje wel stevig ingepakt was, aan den eenen kant er een groot stuk appeltaart ingestopt had. Marix en Santje zouden er toch van proeven!
Het was hard om iedereen dag te zeggen, maar het moest toch gebeuren, en zoo zat Nannie op een gegeven oogenblik weer op de boot en voer weer de weilanden door.
En Vader stond aan de boot en ze liep weer door de oude stad en kwam weer in de oude straat. Het was of er een wolk over haar heen kwam. Alles was zoo grauw, de stad en de straten, en Vader keek zoo bezorgd...
En thuis zagen ze een bruin, dik nikkertje binnen-schuiven. Was dat hun Nannie? Het leek een vreemd kind en zoo voelde Nannie zich ook: heelemaal vreemd. Nan-nie was van hen vervreemd. Zelfs haar spraak was anders geworden...
Maar Moeder was toch erg blij dat ze er zoo goed uit-zag: ״Wat hebben ze je te goed gedaan!” zei ze, terwijl ze haar teeder tegen zich aandrukte.
Niemand wist eigenlijk een woord te zeggen, het was of