112 IN DE GOUDEN KLOK.
of ze moest stilstaan, of iemand haar zei: sta toch stil, en zie! En ze zag het, alles leefde en bloeide om haar heen, en het was of het te veel werd, te heerlijk haast, ineens wist zij het en het kwam over haar als een golf... Alles groeit en bloeit, dacht ze, alles wordt geboren... de vogels en de bloemen en de boomen en de menschen en de dieren... en de sterren en de zonnen ... alles! Het kan niet iets leelijks zijn, het is zeker mooi en goed en heilig... En ze kon haast wel huilen van geluk omdat ze dat nu zoo zeker wist, en zijzelf hoorde er ook bij, bij dat goede en mooie, zij was er een stuk van, van die heele heerlijke wereld, het was of zij van alles hield en of alles zoo goed was om haar heen...
En toen ze dit oogenblik doorleefd had, toén voelde Santje pas dat zij het doel van haar loop had bereikt. Zij kon teruggaan.
Zij ging terug, ontdaan en blij, net als iemand die wer-kelijk gehuild heeft, en die toch zoo opgelucht is... Zij dacht over veel, maar dicht bij haar huis kwam ineens de gedachte te voorschijn, net zooals iets weleens onderop uit een vijver naar boven welt, de gedachte die vanzelf in haar was klaar geworden.
Ik zal dit hokje in mijn hersens nog maar leeg laten, dacht zij. Ik hoef dat allemaal niet zoo precies te weten: als de tijd daar is dat ik het noodig heb, zal ik het weten, en nu weet ik toch tenminste dat het goed is.
* *
*
״Die katjes worden vervelend!” zei Moeder. ״Ze loopen overal voor je voeten: je valt gewoon over ze!”
En op een dag kwam Nannie thuis uit school, en er was iets verschrikkelijks.
Moeder had een moeilijken dag gehad, ze had extra