HOOFDSTUK VIII.
Waarin de maan en de poes een belang-rijke rol spelen; Nannie doet ontdekkin-
gen omtrent de Himalaya; het hokje in
de hersens; Nannie heeft ernstige zorgen.
Het had in de krant gestaan, en bovendien: Marix wist het. Hij had er op school natuurlijk het noodige over ge-hoord, en dien avond zou het hun dan ook niet ontgaan.
Gelukkig was het helder weer. Er waren maar een paar wolkjes, die een mooi geel en goud en zilver licht van de maan ontvingen, en verder straalde zij in ongetemperden luister aan het reine, blauwe firmament.
Dat is juist het weer voor een maansverduistering, want
eerst als de maan ״van zichzelf” in het volle, klare licht
staat, kun je de verduistering goed waarnemen.
En net precies ״op de seconde", — zei Marix, — dat het door de sterrekundigen voorspeld was, (of ze het zoo met haar hadden af gesproken!) daar begon 'n schijntje van 'n schaduwtje over haar alleruiterste randje te loopen. Na een poosje leek het al net of er een rond hapje uitge-knabbeld was, en toen werd het hapje aldoor maar grooter, en de maan aldoor maar kleiner.
Het kleine binnenplaatsje had het in langen tijd niet zoo druk gehad. Vader was er, en Marix natuurlijk, en Santje en Nannie liepen her en der tusschen de scherpe schaduwen en tuurden met kennis van zaken naar boven, en zelfs