klok, die hij gerepareerd had, onder den arm, de peper-en-zout-kleurige lok bo-ven zijn schrandere, droeve gezicht, ver-borgen onder den lagen hoed.... En dan kon Duifje immers niet verre zijn....? En dan waren er.... ach.... een wereld be-volkte zich voor hun oogen, de oude, oeroude stammoeder was er, ergens, met haar muts met fleurige linten, de oude vrouw waar het bruidje het ver-fijnde, geciviliseerde evenbeeld van vormde, hun herinnering nam gestalte aan, het waren dezelfde beelden, ׳—• im-mers, zooals zij ze ieder op zijn wijze, ook toen, aan de werkelijkheid hadden ontleend, —׳ die in elkaar vloeiden tot een geheel; en naast en boven de me-nigte daarbeneden, was er nóg een me-nigte....
En waren de portretten er dan niet, die aan de kinderen en kindskinderen had-den geleerd, wat voor een heerlijke, lie-ve, kruiige typen er hadden geleefd in 92