Het is waar, Presburg zou hen steunen*
Na een lange pauze zegt ze: „In elk geval moeten we niet met zo’n stuk beginnen; geen experimenten meer, maar een gewoon spel* De mensen zijn beu van religieuze problemen en van allegorische voorstellingen: Het Godsvertrouwen, de Deemoed, als een vrouw in het wit ♦ * * Geen Meneer, die Haat heet en lelijke gezichten snijdt, Lode, maar een gewoon mens met haat en liefde en duizend andere eigenschappen; variaties, geen typen of vleesgeworden doodzonden* Vlees wordt het nooit, het blijven acteurs, die dwaas doen* We moeten beginnen met * . *”
„Met ?”
„Met Hélène van Géraldy,” zegt ze peinzend*
En hij, er direct in, met somber geluid: „Wat is dat toch, dat doffe slaan in het bos*” Zij antwoordt, een huivering bedwingend: „Ze zijn bomen aan het omkappen, voor de winter*” „Je bent enorm, liefste,” zegt Lode heel gewoon* „Als ik naar jou luister, moét onze troep iets worden*”
Maar zij denkt aan de herfst en citeert Baudelaire:
Bientot nous plongerons dans les froides ténèbres * * ♦
C’était hier Vété, voici Vautomne,
Ce hruit mystérieux sonne comme un déparU Acteurs horen zich zelf niet ongaarne* Lode denkt aan andere dingen, terwijl Judy haar zwaarmoedigheid vertolkt met de gevoelens van Baudelaire*
„We zullen een naam moeten hebben: wat denk je van Vlaams Kamertoneel ?”
Judy knikt, afwezig*
„Maar,” zegt Lode nadenkend, „eigenlijk ben jij geen Vlaming*”