met hoeveel liefde geeft hij tekenles aan al die arme, in pogrom en oorlog ouderloos geworden zwervertjes daar in hongerend Rusland* Hij staat niet critiekloos tegenover het door hem geadoreerde Jodendom, hij spaart zijn wonderrab-bijnen zijn ironie niet* Ironie is het woord* Hij schildert hoofden, die van den romp losvliegen en wie kan daarover ontsticht zijn, nu vooral in Oostelijke richting de hoofden zo los op den romp zitten, en wie is in onze dagen het hoofd niet wel ereis kwijt 1 Maar men neemt den Jood z’n soms surreële visie kwalijk, niet omdat deze surreëel is, maar omdat hij een Jood is* Zelfs te Parijs begon men een campagne tegen den indringer, toen hij de opdracht kreeg La Fontaine te verluchten, maar deze „nationale’1 fabels zijn inderdaad bovennationaal en zo kon Chagail zich voortreffelijk van zijn taak kwijten op een manier, die evenzeer Perzisch, Chinees of Arabisch te noemen is en waarvoor zijn Joodse inborst hem bij uitstek geschikt maakte. Een knappe jongen die zeggen kan, waar dat Joodse hem nou precies in schuilt; ik heb te dezer plaatse al vaak genoeg betoogd, dat men niet met gemeenplaatsen als „warmte” of „geringe samenhang” moet opereren* Maar ik vrees onsamenhangend te worden: vliegen we dus op Chagall’s wieken terug naar het Stedelijk Museum voor een laatste blik* Behalve een kind aan het raam, een zelfportret met Hebreeuwse letters, vinden wij hier het wonderlijke De Verloofden; hij verlustigt zich aan bloemen en er is geen, die zo de luchtige gratie van witte kant weet te schilderen om den hals van zijn geliefde. Wij zien ook langzaam en weemoedig de veranderingen in zijn vrouws gelaat zich voltrekken* Er is een portret uit de laatste jaren, waaruit wij eerst tot een traditioneler visie zouden besluiten, indien daar