93 Gis teren komt nooit weerom...
'Nebbisj,' zei grootmoeder meewarig.
Jacobs toekomstplannen bleken vrij eenvoudig te zijn. Geld kon je alleen maar verdienen met handel, niet met hard ploeteren in een klein winkeltje. Kopen en verkopen in het groot. 'Als ik dat winkeltje heb opgewerkt tot een goedlopende zaak, verkoop ik de nering. Juffrouw Schaap krijgt eerlijk haar aandeel... en ik begin iets anders.'
'Wat dan?'
'Weet ik nog niet, en dat doet er trouwens ook niets toe. Misschien begin ik weer ergens een andere zaak en als die is opgewerkt, doe ik ook die weer van de hand. Ik werk om te verkopen, niet om in één winkeltje te blijven zitten. Een winkeltje is een stinkeltje.'
Zei moeder:
'Je bent veel te rusteloos voor een zakenman.'
'Rusteloos is het woord niet,' weersprak Jacob haar, 'ik ben met honger geboren en die honger gaat nooit meer weg. Als mijn maag vol is, heb ik nog honger. Honger naar de hele wereld en naar alles wat erop is, honger naar wat andere mensen bezitten... Jullie kunt niet beseffen wat dat is.'
'Misschien tóch wel,' zei moeder rustig.
Jacobs verdere loopbaan in het zakenleven werd een duizelingwekkende klauterpartij van de ene onderneming naar de andere. Hij werd koopman in alles wat ongeregeld was, in alles waar geld mee te verdienen scheen. Soms bereikte ons het gerucht, dat hij een verlies had geleden, waarvan een gewoon mens nooit zou kunnen herstellen. Dan weer hoorden we, dat hij een kapitaal had verdiend op de beurs.
Jonas en Duplikaatje verhuisden uit de Markensteeg naar de nieuwe buurten achter de Muiderpoort. Want Jacob was een goed kind van zijn ouders, die hij liet meedelen van zijn geld.
Af en toe zagen we hem nog wel eens. Hij bleef hondenmager. En zijn bewegingen waren weer hoekiger dan ooit. Zijn ogen schenen altijd iedereen en alles te taxeren. Alsof hij voortdurend op de loer lag en dacht:
'Wat is die man waard? Voor hoeveel is die of is dat te koop.'
Een paar jaren voordat de ramp van 1940 over Nederland losbrak, kwam Jacob weer op een avond bij ons thuis. Om afscheid te nemen.
'Ik ga weg, eerst naar Amerika, en daarna zullen we wel verder zien.'
'Waarom?' vroeg vader, 'je hebt hier toch rijk je brood.'
'Voorgevoel, ik moet weg, weg uit het land. Het is net alsof ik word ge