89 Gis teren komt nooit weerom...
voor het eerst in haar huwelijk een vast inkomen, waarop ze elke week kon rekenen.
Jacob was in de kost bij het buffet in de wachtkamer van het station. Hoeveel broodjes met pekelvlees, worst, rosbief of kaas, hij per dag heeft verslonden, weet ik natuurlijk niet. Maar het moet een Himalaya van brood zijn geweest, die hij door zijn keelgat heeft gewerkt, toen hij op dat station ventte. Het werk en het eten bekwam hem goed. Hij scheen innerlijk evenwichtiger te worden.
Gaandeweg verdween de hongerige begerige blik uit zijn bolle ogen. Hij bleef mager als een sprinkhaan. Maar zijn hele gedrag werd rustiger.
Zeiden we bij ons thuis:
'Wat is die Jacob veranderd, je kent hem gewoon niet meer terug. Dat werk bevalt hem.'
Ik denk, dat hij een paar jaar lang met broodjes langs de treinen had gelopen, toen die geschiedenis met meneer Schaap voorviel.
Nu moet ik dus eerst gaan vertellen wie mijnheer Schaap was.
Toen mijn moeder nog een jong meisje was, ging ze uit dienen bij juffrouw Schaap op de Amstel, vlak bij Carré. Ze had er een best werkhuis. De juffrouw deed verwaand noch verwend. Voor haar personeel was ze een engel. Na moeders trouwen was ze de vriendschap natuurlijk blijven onderhouden. Voor een vreemde hadden ze evengoed familie van elkander kunnen zijn: een oude tante met haar nicht bijvoorbeeld. Om de zoveel weken zei moeder tegen ons, de kinderen:
'Kom jongens, trek je goeie goed aan. We gaan op visite bij juffrouw Schaap.'
Ze ging waarlijk niet op bezoek met de bedoeling eens lekker te gaan opsnijden. Maar wie kan de voldoening meten, die er groeit in een mensenziel, wanneer je als trotse moeder, met drie zulke propere, keurige, gehoorzame engelen van kinderen in het huis komt, waar je eens het brood der dienstbaarheid at? En wanneer je dan kunt zeggen:
'Zijn ze niet gegroeid sinds ik de laatste keer op bezoek was, die drie gezegende schatten?'
De familie Schaap was in goede doen. Meneer Schaap had zijn schaapjes op het droge. Hij was een klein juweliertje, dat in het laatst van de Kaapse tijd grof geld had verdiend en kans had gezien dat solide te beleggen.
Juffrouw Schaap en haar man waren, voor hun doen, moderne men