74 Gis teren komt nooit weerom...
zwoegen eindigde met teleurstellingen. Hij klaagde wel eens:
'Als mijn handen er helemaal niet aan te pas komen, heb ik toch het gevoel, dat elk werk me uit de handen valt.'
Hij verschool zich nooit achter een uitvlucht, wanneer men hem vroeg een of andere taak op zich te nemen. Toch zou het hem gemakkelijk genoeg zijn geweest een of ander voorwendsel te verzinnen. Het mocht dan de schijn hebben, dat de Duitsers tegen de joden niet zo drastisch zouden optreden als was gevreesd, het was toch duidelijk, dat Wolf en Mirjam extra gevaar liepen, wanneer ze bij ondergronds werk op heterdaad zouden kunnen worden betrapt. De jood was altijd schuldig. Het was kenmerkend voor Wolf, dat hij zich ook in die tijd halsstarrig verzette om zich op enigerlei wijze 'apart' te laten behandelen. Als zijn vrienden er bij hem op aandrongen zich liever afzijdig te houden, juist omdat hij jood was, zei hij:
'Ik laat me ook niet door jullie in een geestelijk getto indelen. Jullie vijand is ook mijn vijand, het is onze vijand. Uitzonderingen ken ik niet.'
Toen later de Duitsers de zijden handschoentjes van hun beestenpoten trokken, en de onverzoenlijkste maatregelen tegen de joden afkondigden - toen de razzia's begonnen - de vechtpartijen - de beledigingen en de terreur - toen de stad werd verdeeld in een jodenkwartier en een vrije stad met een muur ertussen - toen de café's en de bioscopen voor joden werden gesloten - en het Beest zijn feesten van bloed en bodem in Amsterdam ging vieren - toen weigerden Mirjam en Wolf een ster te dragen. Wolf zei:
'Ik erken de vijand niet. Ik ontken zijn bestaan en zijn vermeende rechten. Ik heb met joodse raden niets te maken. Ik ben Nederlander. De enige wet is de grondwet en daar houd ik me aan.'
Ze bleven gewoon doen, voorzover dat dan onder die ongewone omstandigheden mogelijk was.
Door een dom toeval zijn ze toen allebei gepakt en naar de Holland-sche Schouwburg gesleept. Niemand weet welke krachten in een mensenziel wakker en sterk kunnen worden, wanneer grote gevaren dreigen. Misschien had Wolf toch iets in zijn persoonlijkheid van een onverschrokken avonturier. Maar het kan best zijn, dat hij zich innerlijk nooit heeft kunnen voegen in de lotsgemeenschap van joden in de Holland-sche Schouwburg. Hoe het ook zij, hij behoorde tot de velen, die van begin af aan zonnen op middelen om aan die doorgangsgevangenis te ontsnappen - en hij was één der weinigen wie de ontvluchting gelukte. Hij,