148 Gis teren komt nooit weerom...
ruchte linkervleugelaar. Een zekere Jan van den Tempel komt een redevoering van stapel laten lopen. De linksen betuigen in een eindeloos debat, dat hij veel te veel op de rechterflank bivakkeert. Henriette Roland Holst komt met haar zachte stem en gebaren van haar slanke handen uitleggen wat wij denken en geen greintje respect remt onze woordkeus, wanneer we tante Jet duidelijk maken, dat wij zoiets allicht beter kunnen weten dan zij. Henri Polak geeft ons les en Kolthek komt in debat, de jeugd is kamprechter. Er komt een schuchtere jongeling opdraven, ene Willem Drees; die liefhebbert in stenografie bij mijnheer Mulder in de Amstelstraat, waar met rare tekens 'steeds sneller' op de winkelruit moet staan. En al die richtingen lopen gewoon bij elkander in en uit.
De toegang tot de bijeenkomsten is meestal gratis, het debat is altijd vrij. Soms wordt er op gewelddadige wijze met elkander van gedachten gewisseld, maar wij zijn bovenal democraten. Er is in onze club een plechtig reglement, er is een bestuur, alle rechten en plichten staan zwart op wit op papier, de leden echter zijn soeverein de baas. De helft plus één kan de wet verzetten en doet dat dikwijls en altoos met grote toewijding. Niets in het tijdelijke is daardoor zo tijdelijk als het lidmaatschap van het bestuur. Het wiebelt op het gestoelte der ere totdat het democratisch gezag verordineert: ophoepelen, althans een woord van ongeveer gelijke klank en in elk geval gelijke strekking. Onze club is gegrondvest op georganiseerd wantrouwen. Niemand voelt dat scherper dan de voorzitter, wie deze functie toevallig ook moge bekleden.
Zoals het behoort, beginnen al onze redevoeringen, tegen wie ze zich ook richten, met 'Voorzitter'. Zegtdepraeses:
'Ik ben gewoon de lantaarnpaal; ieder hondje pist tegen mij aan.' Is er een feestavond. Vindt de voorzitter, dat de toestand van de organisatie in zijn toespraak niet onvermeld mag blijven. Verslikt hij zich in zijn aantekeningen:
'Kameraden, met vreugde mogen we constateren, dat de animositeit onder onze leden niets te wensen overlaat.'
Welk bestuur ook achter het groene tafelkleed zit, het mag de leden niet. Wordt eens bij de ingekomen stukken een briefje voorgelezen:
'Tot mijn spijt ben ik verhinderd, want ik heb influenza onder de leden.' Zegt de voorzitter spontaan:
'Beter influenza onder de leden dan onder het bestuur.'
Maar de leden zinnen bij voorbaat op wraak. Als er een nieuwe voor