138 Gis teren komt nooit weerom...
Izak keek de collega, die hem had bespot, nauwelijks aan. Toen draaide hij zich om en liep naar het kantoor van de directeur:
'Ik neem ontslag. Op staande voet.'
'Waarom?'
'Ik neem ontslag.'
Op elke vraag herhaalde hij maniakaal deze drie woorden.
Later, toen hij in zijn pensionkamer zat, dacht hij: wat heb ik gedaan? Wat moet ik doen?
Hij ging naar Amsterdam terug. Hij vertelde zijn moeder de halve waarheid, maar ze vermoedde zonder moeite de andere helft. Ze jammerde, dat Izak haar de kroon van het hoofd had gestoten. Daarop vroeg ze of ze de geriefelijke kamer van het verzorgingshuis moest verlaten. Hij zei, dat ze er kon blijven; dat verzoende haar spoedig met het grillige levenslot.
Kennissen vroegen hem wat hij ging doen.
'De mens is een poedel,' antwoordde hij, 'het stomme beest ziet het hoepeltje, maar het begrijpt niet, dat hij erdoorheen moet springen. De bedoelingen van zijn baas zijn ondoorgrondelijk.'
Spoedig daarna werd bekend, dat Izak Nahum als waarzegger, telepaat, hypnotiseur en parapsycholoog optrad in café's en goedkope tingeltangels. Zijn apologie was op zichzelf een mirakel van in-en-uit-rede-neerkunst. Wat was de analyse van zijn leven? Hij wist het niet. Een mensenleven is een tapijt vol kleurige ornamenten, pas als je op de achterkant kijkt zie je de draden, die de ornamenten verbinden.
Hij zei:
'Totdat ik die avond die hansworst van een Hanussen zag, wist ik niet hoe de draden lagen in het tapijt, dat Izak Nahum heet. Maar nu weet ik het. Ik moet de mensen vertellen, dat het Derde Rijk van de huisschilder uit München nooit komt. Nooit. Nooit. Ik ben geroepen om het tegen te houden.'
Met karakteristieke pseudo-logica redeneerde hij verder, dat hij de kunst verstond de mensen te doen geloven in zijn profetische gaven.
'Ben je dan werkelijk in staat tot de dingen, die je de mensen voorspiegelt?'
'Nee. Maar dat doet er niet toe. Ze geloven me. Ze gelóven in me. Hanussen zegt: geef mij Uw haat en ik doe de rest. Ik zeg: geef mij uw lichtgelovigheid en ik zal alles ten goede keren.'
In advertenties en op aanplakzuilen verscheen de aankondiging: