Grafschrift voor een ziener 133
In die vreemde wereld van gouden koersen en doublé gokkers hield Izak het enkele jaren uit. Als het hem soms moeite kostte de sfeer van geld- en schraapzucht te accepteren, dacht hij: 'Een mens kan ook in leven blijven door vergiftigde appelen te eten.'
In de twintiger jaren stierf zijn vader. Avrom ging heen, zoals hij geleefd had, zonder veel ophef. Op een ochtend vond Vranja hem dood. Avroms heengaan maakte op zijn zoon een diepe indruk. Een ver familielid kwam uit Berlijn om de begrafenis bij te wonen. Deze man herinnerde zich plotseling, dat hij wellicht een Gode welgevallig werk zou kunnen verrichten, wanneer hij niet slechts de obligate wandeling achter Avroms kist maakte, maar Izak een plaats op zijn kantoor zou aanbieden. Het machtige familielid complotteerde alles met Vranja; dat Izak al mondig was, drong niet tot de samenzweerders door, maar hun bedoelingen waren goed. Ze besloten, dat de dood van zijn vader een ommekeer in Izaks leven zou betekenen. Alweer: het bankvak. Maar deze keer was het een echt bankgebouw met veel personeel, met glimmende marmeren vloeren en buitenlandse verbindingen. Vranja vertelde met slechtverborgen trots aan iedereen, dat de machtige bankier uit Berlijn ('naaste misjpoge van mijn Avrom') zelf geen zoons had, en haar in het diepste vertrouwen had verteld, dat hij Izak als zijn opvolger beschouwde.
'Stel je voor, mijn Izak later eigenaar van zo'n wereldbank.'
In Berlijn werd hij door het personeel ontvangen met alle vijandigheid en afgunst, die een nieuweling aantrekt, wanneer hij anders schijnt te zijn dan de anderen. Izaks nieuwe chef legde zich in schijn bij de voldongenheid der feiten neer, maar hij bleef van wantrouwen vervuld. Vrijwel alle personeelsleden zagen in Izak een spion van de hoogste baas, een indringer die hun promotiekansen zou kunnen bederven of verbeteren al naar gelang ze lager of hoger bij hem in de gunst stonden.
Izak was naar Berlijn getrokken met de illusie, dat hij alles wat zijn leven in Amsterdam had vergald, achter kon laten. Hij vergiste zich. Het Panoramagevoel en Het Vreemde Huis reisden met hem mee. De kinderlijke tijdblindheid was hij te boven gekomen. Voor het Panoramagevoel meende hij een verstandelijke verklaring te hebben gevonden. De tijd, dacht hij, is een kronkelige rivier. Wie aan de oever staat ziet de overkant en slechts een stukje van de stroom. Maar wie de gave heeft ontvangen om zich boven de rivier te verheffen, die ziet de bochten stroomafwaarts en de grillige loop bovenstrooms in één blik... zo iemand ben ik.