106 Gis teren komt nooit weerom...
Hoe vindt u dat geintje van die Zelik? Boven op het witte paard van Bremer heeft hij gezeten en zo is hij midden in de nacht door de sneeuw gereden.
Nou, zoiets noem ik nou: Jiddische overdrijving.
Ik Zelik bovenop een wit paard? Bovenop! Gewoon Mousje Sinterklaas! Voor mij was het een kwajongensstreek meer niet; denkt u dat ik dan mijn leven boven op een paard ga wagen? Maar zo is de naam "Zelik op zijn paard" ontstaan. En als de mensen dus kien spelen en ze roepen nummertje 47 op, "Zelik ufs'nfeerd... Zelik ufs'nfeerd", dan bedoelen ze mij, Zelik, en al ben ik dan over de negentig, zo komt het dat ik toch lekker op de kienblaadjes sta, cehaggeles.'
Van beroep was ome Zelik 'Haambrenger'. Daarom zwierf hij altijd rondom de visstallen van de Houtkopersdwarsstraat, die iedereen de Vissteeg noemde. Als de vis geschubd, gegromd, in moten gesneden en oude kranten was gepakt, gilde de visvrouw:
'Haambrenger.'
Haambrenger betekent: heimbringer, thuisbrenger. Een vrachtje vis naar huis brengen kostte een halve stuiver; het vierduitstuk moest bij vooruitbetaling worden overhandigd. Van deze ambachtslieden moet de uitdrukking stammen: geld bij de vis. Ome Zelik was reeds ambachtelijk haambrenger toen hij nog geen dertien jaar was, en hij bleef het, ook toen hij niet meer op de kienblaadjes stond. Hij kende iedereen in de buurt. Van alle mensen wist hij de chronique scandaleuse. Alle verzinsels, alle fabels uit de buurt had hiij op een geheimzinnige manier in zich opgezogen en in zijn lichaamscellen opgeborgen. De roddeltjes, die hém waren voorbijgegaan, waren niet de moeite waard om er 'stop eens even' tegen te roepen. Als hij zijn neus tussen duim en wijsvinger nam, en de hoeken van zijn mond optrok, zag je in de donkere clownsogen het verhaal groeien. Eerst aarzelend, daarna in een regelmatig vloeiende stroom, kwamen de woorden. Ik herinner me, dat één vrouw in zijn verhalen vrij vaak voorkwam. Hij noemde haar: de Machteneste, hetgeen zoveel wil zeggen als: de schoonmoeder van één van mijn kinderen. Hoe lang was het geleden, dat die Machteneste had geleefd?
'Maar Meijertje, ze leeft nóg.'
We liepen samen door een slurfje van een gangetje van de Valkenburgerstraat. Daar zat een oud vrouwtje, rokken over een testje met dove kolen. Ze was klein van gestalte, maar ze was een reuzin van allure. Haar