'Niet van eten. Ik heb er in gespuugd.' Als hij terugkomt staat op het papiertje: 'Wij ook.'
De eendracht tussen slijpers en verstellers keert echter snel weer, wanneer ze samen zingen. Ze zijn verzot op muziek. Geen opera-voorstelling slaan ze over. Ze kennen alle aria's uit het hoofd. Maar als het gehele repertoire van de Italianen is uitgeput, komen de slijpersliedjes aan de beurt. Eén zingt een couplet in solo. Het refrein heffen ze samen aan. De oertekst is meestal in een tingel-tangel geboren. Componist noch librettoschrijver zullen hun werk echter herkennen. In de fabriek krijgen woorden en muziek een nieuwe sfeer.
De slijpersgijn moge meestentijds eerder pret dan humor tot vader hebben, de woordspelingen zullen de eeuwen trotseren. Als in de kranten staat, dat de vulkanen op Java weer eens gloeiende lava spuwen, zegt een werkeloze slijper: 'Heb je gelezen, de Merapi werkt weer.' Zegt een andere slijper, die ook op de bikkels staat: 'Die Portugezen zijn altijd zulke stink-bemazzels.' Bij hen is het vermogen tot zelfspot, die typische eigenschap der Joden-in-de-verstrooiing, tot groteske afmetingen gegroeid. Ze weten afstand te nemen van hun eigen onhebbelijkheden en eigenaardigheden. Hun overbruisende levenslust heeft aan het plagen van elkander niet genoeg. De kooplieden, die met koffertjes handelswaar langs de slijpersmolens venten, moeten er tegen kunnen dat ze in 't ootje worden genomen, anders heeft hun negotie geen schijn of schaduw van kans. Maar de plagerijen zijn nooit wreed. Ze zijn zelden vrolijk ten koste
115