zeg je tegen me, dan zal de wereld iets beleven wat ze nog nooit heeft beleefd, want dan zijn de twee sterkste jongens uit de onderwereld compagnon geworden en dan kan de politie wel inpakken. Dat zei je allemaal tegen me, herinner je je het nou, Don?"
„Jawel", zeg ik, „er begint me iets te schemeren. De woorden komen me bekend voor. Wat heb jy een goed geheugen, Jan, ik ben er gewoon jaloers op."
„Oh", snoeft de oude man, „maar ik herinner me nog veel méér! Luister maar. Toen vroeg ik je: maar wat wil die andere vent, die sterkere, zal ik maar zeggerf, dan doen? En toen zei jij: die is zo uitgestudeerd slim, dat hij kans ziet echt gouden tientjes te maken en er nog en kapitaal aan over te houden, hè, hè, hè! En toen zei jij, Don: tóch moet ik uitkijken, want als mijn baas en die andere knaap sam-sam gaan doen, zit ik ernaast: dan moet Don tevreden zijn met wat er van de tafel afvalt en daar heeft Don geen zin meer in, nee, zei je, Don zal wel zorgen binnen te zijn, voordat het mis gaat."
Jan van Dommelen vindt het prachtig, dat hij mijn geheugen kan opfrissen. Hij gaat verder:
„En toen vroeg ik je, Dgn, waar zit die andere vent dan, die sterkere, zal ik maar zeggen? En toen nam je en kwast met olie en je schilderde die paar krabbeltjes op de muur en toen zei je: hier zit Marku, de Machtige . . . ."
„Marku, de Machtige.... Marku, de Machtige. . . ." zeg ik op langzame toon. „Die naam. ... ja, die naam, die heb ik méér gehoord. Vertel me alles wat je van hem weet."
142