VEERTIENDE HOOFDSTUK.
Geef mij maar Amsterdam, zeg ik met Johnny Jor-daan. Als ik op het Thorbeckeplein loop, voel ik me echt weer thuis. De baas van the Green Parrot zit een beetje sip achter de bar. Het is nog vroeg in de ochtend.
״Ha, die Tony! Weer terug?"
״Nee, dat lijkt maar zo."
״Geen flauwe kul. Heb je al weer tabak van je nieuwe betrekking?"
״Ja en nee. Ik had zo'n verlangen naar het standbeeld van Rem brandt, dat ik een paar weken vacantie heb geiiomen."
״Belatafel mij een beetje. Zoek je een baan? Je kunt weer portier bij me worden. Sinds je vertrek is de zaak achteruit geboerd."
״Voorlopig neem ik er mijn gemak van. Vertel eens, wat is er allemaal in die tussentijd gebeurd?"
״Niks bijzonders."
״Hoe gaat het met de kennissen?"
Ik noem met opzet de naam van Molly niet. Als ze weer op de vlakte is, hoor ik het wel.
״De kennissen? O, niks bijzonders. Je kent Rooie Riek toch wel?" ״Of ik die ken. Als die doodgaat, wordt de cognac goedkoper. Wat is er met Rooie Riek?"
״Niks bijzonders."
Dat is een stopwoordje van de baas: niks bijzonders.
130