'Denk er om, over mijn geheim zwijgt u als het graf.' 'Als het graf.' 'En uw man ook.'
'Op mijn man kunt u beslist rekenen. Hij zegt, dat hij veel in uw plan ziet.'
'Ik mag uw man graag. Als u niet jaloers wordt, ik vind hem een knappe man.'
Met dat oordeel over zijn mannelijk schoon werd vader thuis danig geplaagd. Toch voelde hij zich er door gevleid. Ons gezin ging juffrouw Granaat een beetje beschouwen als een patiënt, die in het bijzonder aan onze zorg was toevertrouwd. We voelden het als een direct persoonlijk leed, toen we op een dag hoorden, dat juffrouw Granaat door een beroerte was getroffen. Een familielid van haar dreef tijdelijk de zaak. Zij zelf lag in het ziekenhuis aan de Keizersgracht. Vertelden de mensen, die altijd alles weten: 'Ze is helemaal verlamd, alleen haar spraak niet. Ze praat gewoon, maar ze kan geen slag meer verroeren.' Maandenlang lag juffrouw Granaat in het gasthuis. Toen vertelden de mensen, dat ze was overgebracht naar een duur rusthuis ergens achter het Concertgebouw. Zei vader op een Sabbathmiddag:
'Ik ben vanmorgen bij juffrouw Granaat op bezoek geweest. Een sjiek rusthuis waar ze verpleegd wordt, maar zo'n géjus gun ik mijn ergste vijand niet. Ze zit in een soort kinderstoel voor grote mensen zal ik maar zeggen en ze kan geen vin verroeren. Ze maalt ook een beetje, zegt de verpleegster, maar ze herkende me direct en nou geef ik je te raden wat ze me gevraagd heeft... of ik vrijdag een stuk mergtaart kom brengen, van die taart die we elke vrijdagavond eten, nebbisj.'
69