het verlangen naar het eeuwige Lampedusa niet kon doven in! zijn dichterlijke hart, daar trekken ze voorbij in die nooit eindigende stoet van Joden in de verstrooiing. Het beeldje staat in het Museum op de Veluwe. Het is een betoverd beeldje.
Ik ben terug in Israël, één duizendste seconde ben ik weggeweest, niet langer.
De korporaalse uit Zuid Afrika streelt met een moederlijk gebaar de getatoueerde arm van het kind uit Ausschwitz... Ik herken haar: ze is duizenden jaren oud en ze is een mooie: jonge vrouw in Israël, ze is zo oud als Sarah, en zo jong, als werd[ ze vandaag geboren. Ze leeft in een jong land, dat oer-oud is, mijn yiddishe mamma. De onsterfelijke Joodse moeder.
252