Het werd nooit een bordje, maar altijd een pan vol. Ik geloof, dat Jacob meer bij ons thuis at dan bij Duplikaatje. Hij was van een onverzadigbare honger bezeten. Die niet te stillen eetlust was het meest opvallende aan hem. Voor het overige was hij een jongen, zoals er dertien in een dozijn gaan. Evenmin als zijn moeder was hij met een groot verstand begiftigd. Maar zijn onbedwingbaar verlangen naar eten, steeds meer eten had bij hem een soort dierensluwheid doen ontstaan. Hij bewoog zich ietwat ongemakkelijk, ofschoon, voor zo ver ik weet, hij niet met een of ander lichaamsgebrek behept was. Zijn bewegingen waren hoekig. Hij liep als het ware met schokjes. Alsof er ergens diep in hem de draden, die zijn lichaamsdelen met zijn hoofd verbonden, in de war waren geraakt. Men kreeg de indruk, dat zijn spieren voortdurend in een lichte kramptoestand verkeerden; dat hij onophoudelijk een spanning moest verbreken.
In zijn bolle ogen lag een brutale blik, die met alledaagse vrijmoedigheid niets gemeen had. Een uitdrukking van: 'Ik neem!' Zoals ik al heb verteld, hebben Duplikaatje en Jonas en hun gezin een paar jaar bij ons op de trap gewoond. Het diamantvak had toen juist een periode van druk werk en vrij goede lonen achter de rug. Mijn vader en moeder vonden het toen niet meer nodig, dat wij in de nauwe Markensteeg bleven wonen. In de Rapenburgerstraat kwam een mooie woning leeg te staan. Achteruit had je uitzicht op tuinen en daarachter lag de Markengracht. De gracht stonk weliswaar hartverscheurend, vooral in de zomer wanneer er onweer op komst was, maar iedereen zei, dat de gemeente die prutsloot zou laten dempen. En zo hebben de buren op een goede dag afscheid van elkander genomen.
66