'Die man heeft een hart, maar hij kan niet in het hoofd van een Poolse Jood kruipen. Hij heeft alles gezien en alles eerlijk verteld, maar begrepen heeft hij niets. Je moet er zelf heengaan. Ban zul je zien, dat ik gelijk heb.'
Zo dank ik aan onze schoenmaker het denkbeeld van een journalistieke onderzoekingstocht in Oost Europa, waartoe 'Het Volk' me in 1932 in de gelegenheid stelde. Meneer Maandag gaf me introducties mee voor mensen, die hij nooit had ontmoet en die hij alleen maar kende, omdat hun namen en adressen stonden in het krantje, dat hij elke week uit Lodz ontving. Hij stopte me ook een papiertje in de hand, waarop hij met Hebreeuwse karakters de naam had geschreven van het zeldzame boekwerk in het kastje met de Judaica.
'Als je in Wilna mocht komen, vraag dan in de Straschun-bi-bliotheek of ze er een exemplaar van hebben.' Niet alleen omdat meneer Maandag het mij had gevraagd, bezocht ik in Wilna de Straschun bibliotheek. In een straatje achteraf, geleund tegen de muur van de eeuwenoude Synagoge, vond ik de twee kleine vertrekjes, waar in een rommelige wrakke kast de handschriften werden bewaard van de Goan, de grote geleerde - handschriften waarvoor beroemde verzamelaars miljoenen hadden geboden. Maar Wilna was de stad van het Boek, en de Joden zijn het volk van het Boek. Ze verkochten die beroemde werken niet.
Dr. Rubinstein, de bibliothecaris, toonde ik het papiertje, dat meneer Maandag mij had meegegeven. 'Ik wilde U vragen... heeft U dit boek in de kast ?' 'Nee, dat bezitten we niet... helaas niet. U komt toch uit Holland, nietwaar... in Amsterdam bevindt zich een exemplaar.'
127