gekomen en wat ze allemaal hadden gedaan. En hoe lang ze al van huis waren en nog veel meer. En op het lange lest vroeg hij hoe ze heetten.
Dat vertelden ze hem natuurlijk.
״Wel bedankt jongens," zei de man en tegen den fotograaf zei hij: ״Dat wordt een aardig stukje voor het ochtendblad!"
״Stukje?" vroeg Karei, ״wat bedoelt u?"
״Wel," zei de man, ״ik ben ook van de krant zie je en ik schrijf nu een verhaaltje over jelui. Zoo'n artikeltje, dat noemen wij nou een ״stukje"."
״Een stukje?" vroeg Karei nog eens, ״en dat gaat u maken?"
״Ja," zei de man, ״wat zou dat?"
״Niks," zei Karei, ״maar ik wou alleen maar zeggen, dat u dan een echte stukjesdraaier bent.... Ajussies!"
De man moest er zelf om lachen.
״Jelui bent me een mooi span voor een bokke-wagen," zei hij.
* *
De directeur van het circus Salto kwam op de jongens toe.
״Bevallen de paarden jelui nog al!" vroeg hij.
״Ze zien er mooi uit," zeiden de jongens.
״En het zijn makke beesten," ging de directeur verder, ״het zijn allemaal doodgoeie dieren. Ze zullen geen mensch kwaad doen en als je maar rustig op hun ruggetjes blijft zitten, gebeurt er letterlijk niets."
״Ja, maarre..." zei Max en zijn stem beefde een beetje, ״maarre... maarre... ik heb nog nooit op een paard gezeten... behalve dan op een hobbelpaard, maar toen was ik heel klein... maarre... op zoo'n paard."
135