eindelijk het bewijs van jouw schuld leveren. Stel je voor, dat hij hier bij ons zat en dat wij tegen hem zeiden: deze man, deze Jacobus Fredericus de Brie is de moordenaar van Dirk de Wind en
van John Masters____hij heeft de uitvinding ge־
stolen---- mon ami, hij zou ons omhelzen----!"
De deur van de kamer zwaait plotseling open: in de deuropening staat Frans Hokkert.
„Mijne heeren", zegt hij lijzig, „ik weet niet, waarom U zich zoo opwindt.... Jacobus Frede־
ricus de Brie is mijn vriend---- is mijn beste
vriend----!"
Gespannen kijkt Frans naar het gezicht van monsieur Marcel; naar het gezicht van Herr Gutsberg.
Wie van de twee ziet nu plotseling den afgrond voor zijn voeten; wie van de twee zal nu laten merken, dat hij meer weet van de twee moorden?
Dit is immers de beslissende proef.
Het is stil in de kamer. De oogen van Jacobus Fredericus staan glazerig; hij weet minder dan ooit den weg uit den doolhof____
Monsieur Marcel, Mr. Lawrence en Herr Guts־ berg zitten onbewogen.
Geen spier van hun gezicht vertrekt.
Een minuut of wat later vertrekt Frans Hokkert 178