schien, maar in elk geval één van beiden, houdt de heele wereld voor den gek.
Frans Hokkert klapt zijn kaken energiek op elkander. Dat zaakje zal hij wel weer eventjes in orde maken.
Hij belt.
״Klarenberg", zegt hij, „hef de bewaking van het huis in de Helmersstraat maar op. Ik heb een warm spoor. Ik weet al zoo half en half wie de daders zijn.... als ik die kerels, dien Gutsberg en dien Panier eens flink aan het schrikken maak, hun flink de stuipen op het lijf jaag.... dan han־ gen ze.... dan hangen ze met kousen en schoenen. Let eens op mijn woorden!"
165